In dit blogartikel wordt onderzocht of genetische of omgevingsfactoren een grotere invloed hebben op de vorming van de menselijke persoonlijkheid en het gedrag.
De nieuwsgierigheid naar hoe mensen ontstaan, bestaat al sinds de oudheid. Vooruitgang in wetenschap en technologie ontrafelt deze mysteries geleidelijk. Beginnend met de ontdekking van de dubbele helixstructuur van DNA door Watson en Crick, wordt de volgorde van de DNA-basen steeds beter in kaart gebracht en vordert ook het onderzoek naar genen gestaag. Aanvankelijk dacht men dat genen alleen fysieke eigenschappen bepaalden, maar na verloop van tijd ontstond het inzicht dat genen ook de vorming van de menselijke persoonlijkheid beïnvloeden. Het debat onder wetenschappers over de vorming van de menselijke persoonlijkheid laaide op toen Francis Galton voor het eerst de term 'nature versus nurture' gebruikte.
Degenen die geloven dat de natuur een belangrijkere rol speelt bij het vormgeven van de menselijke persoonlijkheid, stellen dat aangeboren genen niet kunnen veranderen. Zij geloven dat genen niet alleen fysieke eigenschappen bepalen, maar ook emoties en gedrag. Deze mensen ontwikkelden een theorie die bekend staat als genetisch determinisme. Genetisch determinisme stelt dat het gedrag van een organisme wordt bepaald door zijn genetische samenstelling, en beweert zelfs dat menselijk sociaal gedrag door genen wordt beheerst. Volgens deze theorie kan genetisch onderzoek voorspellen hoe een specifiek organisme zich zal gedragen, welke ziekten het zal oplopen en hoe het er fysiek uit zal zien. Naarmate DNA-onderzoek vorderde, groeide het aantal mensen dat genetisch determinisme steunde. Zij geloofden dat ze door de geheimen van genen te ontrafelen het mysterie van de menselijke ontwikkeling konden ontrafelen. Voorstanders van genetisch determinisme startten daarom het Human Genome Project. Dit project had als doel elk gen in het menselijk lichaam te identificeren en te catalogiseren. Hiermee probeerden voorstanders van genetisch determinisme aan te tonen dat talloze genen de menselijke ontwikkeling reguleren. Deze manier van denken is voortgekomen uit reductionisme. Reductionisme is het principe van het analyseren van complexe verschijnselen door ze te reduceren tot eenvoudigere verschijnselen. De moderne biologie ontwikkelde zich op basis van deze reductionistische benadering. Naarmate de wetenschap vorderde, neigden wetenschappers er steeds meer naar om steeds kleinere eenheden te analyseren, wat leidde tot de ontdekking van cellen en DNA. Hoewel deze methode uitstekend was als onderzoeksbenadering, was ze niet geschikt voor interpretatie. Volgens de reductionistische benadering is genexpressie een unidirectioneel proces dat zich ontwikkelt van kleinere naar grotere eenheden. Dit wordt het "Centrale Dogma" genoemd, dat stelt dat DNA de primaire oorzaak is die de eigenschappen van eiwitten bepaalt in de eenrichtingsinformatieoverdracht van DNA naar eiwit.
De bevindingen van het Human Genome Project brachten echter onverwachte resultaten aan het licht. Genetisch determinisme suggereert dat mensen talloze eiwitten bezitten. Rekening houdend met de genen die de activiteit van deze eiwitcoderende genen reguleren, zouden menselijke chromosomen minstens 120,000 genen moeten bevatten. Onderzoek heeft echter aangetoond dat mensen slechts 25,000 genen bezitten. Dit wijst erop dat genen niet alles bepalen bij de mens. Primitieve organismen zoals de rondworm Caenorhabditis elegans bezitten 24,000 genen, terwijl de fruitvlieg Drosophila er ongeveer 15,000 heeft. Dit suggereert dat één gen niet overeenkomt met één eigenschap, wat betekent dat genen niet alles bepalen aan de mens. Daarom wordt geconcludeerd dat andere factoren dan genen, of de natuur alleen, een significantere rol spelen in de menselijke ontwikkeling.
In tegenstelling tot het genetisch determinisme ontstond een nieuwe theorie, de epigenetica. Toen het Human Genome Project, dat begon met een reductionistische benadering, er niet in slaagde het genetisch determinisme te bewijzen, probeerden wetenschappers een nieuwe onderzoeksrichting in te slaan. Hierdoor werd duidelijk dat omgevingsinvloeden DNA, oftewel genen, kunnen veranderen. Dit betekent dat de vorming van eigenschappen niet eenzijdig vanuit het DNA begint, maar kan worden gereguleerd door omgevingssignalen. Genactiviteit wordt gereguleerd door regulerende eiwitten, en omgevingssignalen sturen deze regulerende eiwitten aan. Onderzoeksresultaten die aantonen dat omgevingssignalen via regulerende eiwitten meer dan 2,000 eiwitvariaties van hetzelfde gen genereren, ondersteunen eveneens de betrokkenheid van omgevingsinvloeden bij de menselijke ontwikkeling. Genen reguleren hun eigen activiteit niet rechtstreeks. Genexpressie vindt plaats door de werking van effectorproteïnen die worden gereguleerd door omgevingssignalen die worden opgevangen door celmembraanreceptoren. Met andere woorden, de fenotypische expressie van een gen wordt niet door het gen zelf bepaald, maar door omgevingsfactoren. Een experiment met muizen die het agouti-gen dragen, ondersteunt deze bewering. Muizen met het agouti-gen vertonen een gele vacht en obesitas. Toen muizen met dit gen een dieet kregen dat de genactiviteit blokkeerde, brachten moedermuizen met dit gen nakomelingen ter wereld met een bruine vacht en een slanke lichaamsbouw. Dit toont aan dat de omgevingsverandering die de moedermuis ondervond, ook haar nakomelingen beïnvloedde. De genexpressie werd gereguleerd door de omgevingsfactor voeding. Dit wijst erop dat genetisch determinisme onjuist is.
Dat genetisch determinisme onjuist is, blijkt ook uit historische gebeurtenissen. Tijdens het naziregime vond de Holocaust zijn oorsprong in eugenetica, gebaseerd op genetisch determinisme. Eugenetica is een discipline die uitgaat van het bestaan van superieure en inferieure genen en die kunstmatige selectie bestudeert om superieure genen te behouden. Degenen die ooit geloofden dat genen alles bepaalden, dachten ook dat menselijke talenten en eigenschappen erfelijk waren. Dit leidde geleidelijk tot de classificatie van mensen met superieure genen en mensen met inferieure genen. In de 19e eeuw verspreidde deze eugenetica zich over vele landen en evolueerde tot de classificatie van rassen van superioriteit. Men ging superieure rassen onderscheiden van inferieure rassen op basis van genetische verschillen. Uiteindelijk leidde de invloed van deze eugenetica in Duitsland tot de Holocaust, de massamoord op Joden. Na deze gebeurtenissen werd de onjuistheid van eugenetica duidelijk en begon de aanhang ervan af te nemen. Dit bewees dat er geen hiërarchie bestaat tussen genen en dat menselijke verschillen niet gerelateerd zijn aan genetische verschillen. Met andere woorden, de natuur (genen) speelt een ondergeschikte rol in de menselijke ontwikkeling.
Laten we nu het aspect van opvoeding eens nader bekijken. Het perspectief dat opvoeding belangrijker is dan aanleg is gebaseerd op omgevingsdeterminisme. Omgevingsdeterminisme stelt dat de omgeving een crucialere rol speelt dan genen in de menselijke ontwikkeling. Volgens deze theorie zijn levende wezens geen entiteiten die door genen worden geregeerd, maar eerder entiteiten die actief veranderen afhankelijk van hun omgeving. Dit impliceert dat de informatiestroom niet eenrichtingsverkeer is, maar plaatsvindt via interacties, zoals in een netwerk. Met andere woorden, het betekent dat de factoren die betrokken zijn bij de menselijke ontwikkeling met elkaar verbonden zijn en op elkaar inwerken. Recent onderzoek heeft aangetoond dat eiwitten in cellen interageren onder invloed van de externe omgeving. Omgevingsdeterministen benadrukken dat de menselijke ontwikkeling wordt gevormd door de omgeving en ondersteunen epigenetica. Epigenetica stelt dat omgevingsfactoren de genexpressie reguleren, wat zich manifesteert als veranderingen in de genexpressie in plaats van veranderingen in de genen zelf. Omgevingsdeterminisme hecht ook veel belang aan plasticiteit, het vermogen van organismen om zich aan hun omgeving aan te passen.
Genen zijn cruciale factoren die menselijke fysieke eigenschappen en gedrag bepalen. Genen liggen echter niet vast; ze bezitten het potentieel om te veranderen als reactie op omgevingssignalen. Dit suggereert dat genetisch determinisme onjuist is. Genetisch determinisme, gebaseerd op de aanname dat genen onveranderlijk blijven, wordt niet langer ondersteund door de opkomst van epigenetica, die aantoont dat genexpressie kan worden veranderd door omgevingsinvloeden. Het feit dat genexpressie kan worden gereguleerd door omgevingsfactoren benadrukt dat omgeving (opvoeding) belangrijker is dan natuur (genen) in de menselijke ontwikkeling. Menselijke ontwikkeling vindt plaats door de interactie van natuur en opvoeding. Genen vormen het basiskader voor menselijke ontwikkeling, maar omgevingsfactoren spelen de rol van het concretiseren en tot uitdrukking brengen van dat kader. In de menselijke ontwikkeling beïnvloeden genen en omgeving elkaar wederzijds om het individu te vormen.
Eeneiige tweelingen zijn een uitstekend voorbeeld van deze interactie. Eeneiige tweelingen delen dezelfde genen en lijken fysiek op elkaar. Opgroeien in verschillende omgevingen kan echter leiden tot totaal verschillende persoonlijkheden. Dit laat zien dat zelfs met identieke genen de menselijke ontwikkeling aanzienlijk kan variëren, afhankelijk van omgevingsfactoren. Een ander voorbeeld is Tiger Woods. Hij wordt beschouwd als een van de grootste golfers aller tijden. Tiger Woods' opmars naar de top van de golfsport was niet alleen te danken aan zijn aangeboren fysieke talent, maar ook aan de omgeving waarin hij opgroeide. Zijn vader leerde hem al op jonge leeftijd golfen en investeerde veel tijd en energie in het ontwikkelen van zijn talent. Het waren deze omgevingsfactoren die Tiger Woods in staat stelden de beste speler te worden. Met andere woorden, hoewel zijn aangeboren talent belangrijk was, speelden de omgevingsfactoren die het cultiveerden een crucialere rol in zijn succes.
Kortom, de vraag of aanleg of opvoeding belangrijker is voor de menselijke ontwikkeling is complex. Het is waar dat genen en omgeving samenwerken om een persoon vorm te geven. Recent onderzoek suggereert echter dat omgevingsfactoren een belangrijkere rol spelen. Genen vormen het basiskader voor de menselijke ontwikkeling, maar het zijn omgevingsfactoren die dit kader invullen en vormgeven. Daarom is het meest cruciale element in de menselijke ontwikkeling niet de genen, maar de omgeving waarin een persoon leeft.