Is menselijk altruïsme aangeboren, of een strategie van het egoïstische gen?

In dit blogbericht wordt vanuit een biologisch perspectief onderzocht of het altruïstische gedrag dat mensen vertonen werkelijk voortkomt uit de natuur, of dat het een strategie is die door het zelfzuchtige gen is geëvolueerd om te overleven.

 

Als engelen bestonden en op ons neerkeken, hoe zouden ze ons dan zien? Hoe zouden we onszelf aan hen kunnen uitleggen? Er wordt gezegd dat een geleerde, die onderzocht wat het betekent om mens te zijn, juist op zoek was naar het antwoord op deze vraag. Zouden mensen egoïstisch overkomen op de engelen, of zouden ze hen juist als altruïstische wezens beschouwen? De vraag of mensen egoïstisch of altruïstisch zijn, is nauw verbonden met de vraag naar de menselijke natuur zelf. Het is moeilijk te ontkennen dat mensen egoïstisch handelen om persoonlijk gewin na te streven. Toch zien we in de praktijk steeds weer altruïstisch gedrag, waarbij mensen anderen helpen, zelfs ten koste van zichzelf. Om deze reden is de beschouwing van menselijk egoïsme en altruïsme een blijvende reflectie op de menselijke natuur, die tijdperken en wetenschappelijke disciplines overstijgt.
In het verleden werd deze kwestie behandeld binnen filosofische debatten, zoals de tegenstelling tussen de leer van de aangeboren goedheid en de leer van het aangeboren kwaad. In de moderne tijd zijn er echter steeds meer pogingen gedaan om egoïstisch en altruïstisch menselijk gedrag te verklaren aan de hand van wetenschappelijk bewijs. De biologische interpretatie van egoïsme en altruïsme heeft daarbij veel academische aandacht gekregen, omdat het de essentie van de mens als levend wezen blootlegt. Het beschouwen van de menselijke natuur binnen een biologisch kader is van groot belang, omdat het een wetenschappelijke verkenning van de mensheid inhoudt.
Allereerst is het nodig om de belangrijkste concepten te onderzoeken die door de academische wereld worden aangedragen om de egoïstische en altruïstische mens te verklaren. Volgens Richard Dawkins' boek "The Selfish Gene" is de drijvende kracht achter evolutie en natuurlijke selectie niet het individu, maar het gen; levende wezens zijn slechts 'overlevingsmachines' die ontworpen zijn om genen te behouden en te repliceren. Dawkins beschouwde niet alleen de fysieke eigenschappen van individuen, maar ook hun mentale gedrag als een 'uitgebreid fenotype' dat voortkomt uit genen. Hij betoogde dat dit het resultaat is van programmering om te functioneren met als doel meer genen binnen de groep te behouden. Met andere woorden, genen zijn egoïstische entiteiten die blindelings de doelen van replicatie en behoud nastreven; zelfs handelingen die op het eerste gezicht altruïstisch lijken, kunnen in feite egoïstische daden zijn die de belangen van genen weerspiegelen.
Ondertussen is "The Emergence of Altruistic Humans", geschreven door econoom professor Choi Jeong-gyu, een studie gebaseerd op de economische speltheorie die probeert te verklaren hoe altruïstische mensen kunnen ontstaan ​​binnen menselijke samenlevingen, die in principe als egoïstisch worden beschouwd. In dit proces worden verschillende hypothesen en theorieën gepresenteerd om altruïstische mensen te verklaren. Met name argumenten dat altruïstisch gedrag is geëvolueerd voor eigen gewin, hebben een aanzienlijke overtuigingskracht. Een van deze argumenten is 'verwantschapsselectie', een concept dat werd voorgesteld door de Britse evolutionair bioloog William Hamilton. Het stelt dat organismen geëvolueerd zijn om altruïstisch gedrag te vertonen jegens verwanten binnen een verwantschapsgroep die gemeenschappelijke genen delen. Dit sluit aan bij Dawkins' argument dat altruïstisch gedrag geen persoonlijk verlies betekent, maar eerder een handeling die het voordeel van de gehele gedeelde genenpool vergroot. De theorie van verwantschapsselectie heeft echter beperkingen in het volledig verklaren van altruïstisch gedrag buiten bloedverwantschap.
Om deze beperkingen aan te pakken, werd de 'hypothese van herhaalde wederkerigheid' voorgesteld. Deze hypothese verklaart altruïstisch gedrag als een vorm van investering, waarbij individuen verwachten dat ze op de lange termijn profijt zullen hebben van herhaalde interacties. De wederkerigheidshypothese slaagt er echter ook niet in om altruïstisch gedrag volledig te verklaren bij eenmalige ontmoetingen of situaties waarin individuen elkaar niet kennen, waardoor de fundamentele oorsprong van altruïstische mensen niet volledig wordt opgehelderd.
In tegenstelling tot de tot nu toe gegeven verklaringen, bestaat er ook een argument dat de aanname dat individuen alleen hun eigen belangen behartigen, beperkingen heeft bij het verklaren van altruïstisch gedrag. Een goed voorbeeld hiervan is het boek 'The Cooperative Species' van Samuel Bowles en Herbert Gintis. Zij stellen dat samenlevingen met veel altruïstische leden een voordeel hebben in overleving en welvaart ten opzichte van samenlevingen zonder altruïstische leden, en dat altruïstische individuen op groepsniveau geselecteerd zijn door middel van 'sociale voorkeur'. Sociale voorkeur verwijst hier naar het idee dat samenwerking tussen leden, die egoïstische genen tegengaat, de samenleving als geheel meer voordeel oplevert. Het perspectief van Bowles en Gintis verschilt van Dawkins' 'Selfish Gene' doordat het niet probeert de oorsprong van altruïsme te verklaren vanuit het standpunt van individuele genen. In plaats daarvan zoekt het de wortels van menselijk altruïsme in de onderlinge relaties van de groep, en presenteert daarmee een nieuw gezichtspunt.
De tot nu toe onderzochte benaderingen vertegenwoordigen de belangrijkste wetenschappelijke pogingen om zowel de egoïstische als de altruïstische mens te verklaren. Voordat we dieper ingaan op de kern van de zaak, is het cruciaal om te onthouden dat geen van deze benaderingen als definitief dogma wordt aanvaard. De poging om de menselijke natuur te onderzoeken aan de hand van objectief bewijs is op zichzelf al een betekenisvol proces; er is geen eenduidig ​​antwoord op de vraag of mensen inherent egoïstisch of altruïstisch zijn. Dit is ook de reden waarom argumenten van beide kanten moeilijk te weerleggen zijn. Zelfs Richard Dawkins, vaak ten onrechte gezien als een extreme genetisch determinist, waarschuwde in het voorwoord van zijn baanbrekende werk 'The Selfish Gene' voor simplistische interpretaties. Hij stelde dat mensen in staat zijn genetische dominantie te overwinnen door middel van anticonceptie en sociale/culturele instellingen. Juist omdat er geen eenduidige waarheden bestaan ​​over deze kwestie, ben ik van mening dat logische samenhang, in plaats van de nauwkeurigheid van individuele beweringen, de maatstaf moet zijn voor het beoordelen van de geldigheid. Samenhang verwijst hier naar een situatie waarin het gepresenteerde bewijs voor een bewering organisch met elkaar verbonden en intern consistent is.
Vanuit dit perspectief kon ik de biologische verklaringen voor de egoïstische en altruïstische mens kritisch herzien. De kern van de zaak is dat het altruïstische gedrag dat mensen vertonen in feite voortkomt uit egoïsme dat door genen wordt aangestuurd. Bovendien zou ik daaraan willen toevoegen dat dit egoïsme zich niet alleen heeft ontwikkeld in een richting die gunstig is voor de genen, maar ook in een richting die rationeel is voor zowel het individu als de genen.
Ten eerste geloof ik dat de oorsprong van altruïstisch gedrag bij mensen terug te voeren is op genen. De oervoorouder van al het leven, inclusief de mens, was wat Dawkins een 'zelfreplicator' noemde, die tegenwoordig in levende organismen bestaat in de vorm van DNA. Aangezien de mens zijn oorsprong ook terugvoert op dergelijke zelfreplicators, vereist de meest fundamentele laag van de menselijke natuur aandacht voor genen. Genetische aanleg wordt vaak gezien als fysiek en primitief, wat aanleiding geeft tot tegenargumenten dat mensen wezens zijn die begiftigd zijn met hogere mentale vermogens. Er wordt beweerd dat mensen empathie bezitten, ongemak voelen wanneer ze anderen in nood zien en daardoor altruïstisch handelen. Zelfs dergelijk op empathie gebaseerd altruïsme kan echter worden gezien als beïnvloed door genen.
Om dit te illustreren, beschouw de volgende hypothetische situatie. Stel dat een zeer naaste verwant en een ver verwant met vergelijkbare moeilijkheden te kampen hebben. Als men slechts één persoon kan helpen, zullen de meeste mensen waarschijnlijk kiezen om de naaste verwant te helpen. Dit komt doordat het concept 'verwantschap' hier een rol speelt. Verwantschap kan worden geïnterpreteerd als een indicator van genetische gelijkenis. Deze keuze vindt plaats omdat, vanuit genetisch perspectief, altruïstisch handelen jegens een individu met een hoge verwantschap voordeliger is dan jegens een individu met een lage verwantschap. Door dit concept van verwantschap buiten soortgrenzen te laten gelden, ontstaat een bredere interpretatie.
We voelen medelijden met een puppy die op straat is achtergelaten en zetten ons in voor de bescherming van verlaten dieren. Daarentegen doden we zonder veel gewetenswroeging insecten zoals muggen of vliegen. Voelen mensen zich schuldig als ze onkruid wieden, of vertonen ze altruïstisch gedrag om bacteriën of schimmels te beschermen? Nee. Dit kan worden verklaard door onze evolutionaire verwantschap met hen – met name is onze verwantschap aanzienlijk lager dan die met zoogdieren. Kortom, empathisch vermogen is evenredig met verwantschap, en verwantschap kan worden gezien als genetische gelijkenis. Daarom kan empathisch vermogen zelf niet volledig losstaan ​​van genetische invloed.
Ten tweede moet het perspectief dat mensen en genen als uitsluitend gescheiden en antagonistische entiteiten beschouwt, worden vermeden. Een individu kan niet overleven zonder genen, en genen, die zich in het individu bevinden, kunnen er niet onafhankelijk van zijn. Daarom is co-existentie door wederzijdse samenwerking en compromissen tussen genen en het individu efficiënter voor het overleven van beide. Dit komt overeen met het biologische feit dat gespecialiseerde, taakverdelende celclusters geavanceerder en efficiënter zijn voor overleving dan eenvoudige celaggregaten. Om deze reden hebben genen de hersenen – met name de grote hersenen – ontwikkeld om het organisme, deze 'overlevingsmachine', efficiënter te laten functioneren. Ze hebben een groot deel van hun directe controle aan de hersenen gedelegeerd, waardoor ze zichzelf positioneerden voor indirecte, fundamentele interventie.
Daardoor treedt er een zekere vertraging op voordat de instructies van het gen zich manifesteren als een fenotype. Dit creëert een kloof tussen de mentale activiteiten van mensen, verklaard door de hersenen, en het fenotype dat door het gen wordt beoogd. Waar het gen in eenvoudigere levensvormen fungeerde als een 'parasiet' die het individu als 'gastheer' direct manipuleerde, vervaagde de grens tussen parasiet en gastheer geleidelijk naarmate levensvormen complexer werden. Omdat het individu onmisbaar is voor het gen, had het gen geen andere keuze dan strategieën te ontwikkelen die zijn eigen dominantie gedeeltelijk verzwakten. Vanuit dit perspectief bezien, kunnen altruïstische gedragingen zoals adoptie – die niet volledig verklaard kunnen worden door verwantschapsselectie of de wederkerigheidshypothese – gedeeltelijk worden bevrijd van het tegenargument dat hun oorsprong uitsluitend buiten het egoïsme van het gen moet liggen.
Tot slot moeten we de egoïstische motieven achter ogenschijnlijk altruïstische acties onderzoeken. In "The Cooperative Species" wordt betoogd dat coöperatieve en altruïstische eigenschappen zijn geselecteerd omdat mensen zich in een unieke sociaal-culturele omgeving hebben ontwikkeld. Maar kunnen we dit altruïsme wel echt puur altruïsme noemen? Het komt mogelijk niet voort uit empathiegedreven psychologische voldoening, maar eerder uit een voorkeur voor eigenschappen die de groep waartoe men behoort ten goede komen. Met andere woorden, kunnen we met zekerheid stellen dat persoonlijke belangen volledig ontbreken? Natuurlijk zou men kunnen tegenwerpen dat als het enige doel het maximaliseren van individueel gewin is, een egoïstische houding efficiënter zou kunnen zijn. Zoals het 'gevangenendilemma'-model echter aantoont, levert de altruïstische weg van samenwerking een groter algemeen groepsvoordeel op dan de egoïstische weg van wederzijds verraad. Uiteindelijk hebben genen waarschijnlijk egoïsme en altruïsme over lange perioden afgewogen en geconcludeerd dat altruïsme op de lange termijn rationeler is, wat leidde tot de selectie ervan.
Na bestudering van diverse bronnen kwam ik tot de conclusie dat de coherentie van een hypothese het belangrijkste criterium moet zijn voor het beoordelen van de geldigheid ervan. Op basis hiervan betoogde ik dat menselijk altruïsme onder invloed van genen bestaat. Aangezien onze voorouders, de 'zelfreplicators', nog steeds in ons aanwezig zijn in de vorm van genen, vindt de menselijke natuur zijn oorsprong in genen, en de gevallen van altruïsme die beïnvloed worden door verwantschap leveren hiervoor bewijs. Bovendien kunnen genen niet overleven zonder een individuele gastheer. Bijgevolg hebben ze zich ontwikkeld in een richting die de grens tussen parasiet en gastheer vervaagt, waarbij directe controle wordt gedelegeerd via het bestaan ​​van de hersenen. De afstand die tijdens dit proces tussen genen en fenotypes is ontstaan, heeft ervoor gezorgd dat gedragingen die ogenschijnlijk in strijd zijn met de aard van zelfzuchtige genen, bij mensen konden ontstaan. Bovendien moeten we ook de mogelijkheid overwegen dat ogenschijnlijk altruïstische handelingen gebaseerd kunnen zijn op zelfzuchtige overwegingen die gunstig zijn voor het overleven van zowel de groep als het individu. Tenzij er een god bestaat die de mens heeft geschapen en die direct het definitieve antwoord op de menselijke natuur kan geven, zal het debat over egoïstische versus altruïstische mensen nooit eindigen. Het gaat er daarom niet om definitief vast te stellen wat goed of fout is, maar om de meest plausibele verklaring te kiezen uit de verschillende beweringen en daaruit zinvolle conclusies te trekken.

 

Over de auteur

auteur

Ik ben een "kattendetective". Ik help vermiste katten te herenigen met hun families.
Ik laad mezelf op met een kop café latte, geniet van wandelen en reizen, en verdiep me in mijn gedachten door te schrijven. Door de wereld nauwlettend te observeren en mijn intellectuele nieuwsgierigheid als blogger te volgen, hoop ik dat mijn woorden anderen kunnen helpen en troosten.