In dit blogbericht worden de argumenten onderzocht waarom mensen als gelijke wezens erkend zouden moeten worden. Er wordt diep ingegaan op de verschillen tussen Rawls' concept van morele persoonlijkheid en Singers idee van het vermogen om belangen te overwegen, en de debatten die daaruit voortvloeien.
Gelijkheid, samen met vrijheid, is een kernideologie van de moderne samenleving geworden. Mensen worden als gelijkwaardig beschouwd, ongeacht factoren zoals ras of geslacht. Maar wat betekent deze bewering – dat alle mensen gelijk zijn – nu eigenlijk? En waarop is ze gebaseerd? Ten eerste interpreteert niemand dit als absolute gelijkheid, wat betekent dat alle mensen in elk opzicht identiek behandeld worden. Dit komt doordat mensen verschillende aangeboren vermogens en talenten bezitten, die niet volledig gelijk gemaakt kunnen worden. Absolute gelijkheid staat bovendien haaks op waarden als individualiteit en autonomie.
De eis tot gelijkheid is niet bedoeld om alle ongelijkheid als slecht te beschouwen. Het doel is veeleer om ongelijkheid die onvoldoende gerechtvaardigd is, uit te bannen. Het principe van voorwaardelijke gelijkheid, vaak aangeduid als het verbod op ongerechtvaardigde discriminatie, vereist rechtvaardiging wanneer er sprake is van ongelijke behandeling. Dit betekent dat, indien een passende rechtvaardiging wordt aangevoerd, gelijke behandeling kan worden geweigerd aan personen die tot een bepaalde categorie behoren, terwijl ongelijke behandeling is toegestaan aan personen die niet tot die categorie behoren. Wat zijn dan de criteria voor het indelen van mensen in specifieke categorieën? Deze vraag leidt onmiddellijk tot een onderzoek naar de grondslagen van gelijkheid.
Het concept van gelijkheid zoals gepresenteerd in diverse moderne mensenrechtenverklaringen, beschouwde gelijkheid tussen individuen als een aangeboren natuurrecht. Deze natuurrechtstheorie bracht echter verschillende problemen aan het licht, zoals de vraag wat een natuurrecht precies inhoudt en hoe het bestaan van een dergelijk recht vanzelfsprekend kan zijn. Rawls probeerde daarom een basis voor menselijke gelijkheid te leggen zonder zich te baseren op de bestaande natuurrechtstheorie. Hij stelde dat formele rechtvaardigheid wordt gerealiseerd wanneer regels eerlijk en consistent worden toegepast en gelijke gevallen gelijk behandelen. Hij oordeelde echter dat loutere naleving van regels op basis van formele rechtvaardigheid geen garantie biedt voor rechtvaardigheid. Omdat regels zelf in conflict kunnen komen met andere idealen met een hogere morele autoriteit, is de inhoud van de regels cruciaal voor het waarborgen van materiële rechtvaardigheid.
Om de basis voor menselijke gelijkheid te verklaren, introduceerde Rawls het concept van bereikseigenschappen. Punten binnen een cirkel delen bijvoorbeeld dezelfde bereikseigenschap – ze bevinden zich allemaal binnen de cirkel – ondanks hun verschillende posities. Omgekeerd hebben punten binnen en buiten de cirkel verschillende bereikseigenschappen, gedefinieerd door de grenslijn. Rawls stelt morele persoonlijkheid voor als de bereikseigenschap die individuen recht geeft op gelijke behandeling. Een moreel persoon is iemand die in staat is morele argumenten aan te voeren en daar aandacht aan te besteden. Elk wezen dat dit vermogen bezit, zelfs in minimale mate, heeft het recht om gelijke behandeling te eisen. De term 'moreel persoon' impliceert hier geen morele uitmuntendheid; het wordt gebruikt als een concept dat contrasteert met wezens die moreel irrelevant zijn.
Er kunnen echter vragen rijzen over de vraag of een kind voldoet aan de minimale criteria om als persoon te worden beschouwd. Rawls betoogt in dit verband dat de minimale vereiste voor het vormen van een moreel persoon het potentiële vermogen is, niet de verwezenlijking ervan, en dat daarom zelfs een kind een gelijkwaardig wezen is.
Singer bekritiseert deze poging van Rawls. Hij stelt dat de mate van gevoeligheid voor moraliteit verschilt per mens, en als het vermogen tot moreel persoonschap zo cruciaal is, is het onduidelijk waarom er geen morele hiërarchie zou moeten worden ingesteld op basis van de mate waarin dat vermogen aanwezig is. Hij wijst er ook op dat de vraag waar de minimumdrempel moet worden gelegd om een entiteit met gelijke rechten te worden, problematisch blijft. Bovendien zouden volgens de door Rawls voorgestelde criteria individuen die nooit moreel vermogen hebben bezeten of dit permanent hebben verloren, geen morele status hebben, wat in strijd is met het algemeen aanvaarde concept van gelijkheid.
Om deze redenen stelt Singer het principe van gelijke overweging van belangen voor als basis voor gelijkheid. Volgens hem moet een entiteit, om belangen te hebben – dat wil zeggen, om een belang te hebben – fundamenteel het vermogen bezitten om pijn en plezier te ervaren. Een entiteit die dit vermogen bezit, heeft een belang en komt dus in aanmerking voor gelijke morele overweging. Op dit punt is het ook mogelijk om meer gewicht toe te kennen aan entiteiten met een sterker belang. Omgekeerd kunnen wezens die dit vermogen missen geen voorkeuren of belangen hebben en komen ze dus niet in aanmerking voor gelijke morele overweging. Singers argument, dat de beperkingen van bestaande gelijkheidsprincipes aan de kaak stelt en een heroverweging van de morele status van diverse wezens – waaronder zowel menselijke als niet-menselijke entiteiten – eist, blijft belangrijke inzichten bieden in de hedendaagse ethiek.