In deze blogpost onderzoeken we hoe de nieuwe oorlogsvoering, veroorzaakt door globalisering en de opkomst van niet-statelijke actoren, het kader van de op natiestaten gebaseerde democratie aan het wankelen brengt en welke verandering dit vereist.
De moderne democratie heeft zich ontwikkeld binnen de politieke gemeenschap van de natiestaat, gecentreerd rond nationalisme, nationale identiteit en de burgerrechten die daarmee gepaard gaan. De recente globalisering brengt echter aanzienlijke veranderingen teweeg in de orde van de democratie en de internationale betrekkingen die gebaseerd zijn op de natiestaat. Te midden van deze veranderingen ontstaan zogenaamde 'nieuwe oorlogen' met andere kenmerken dan die uit het tijdperk van de natiestaat, en deze oorlogen brengen de bestaande orde van de natiestaat aan het wankelen.
Bovenal onthult de nieuwe oorlog het kenmerk van vage grenzen. In tegenstelling tot het tijdperk van de natiestaat, waarin oorlogen tussen staten plaatsvonden en vrede na afloop van de oorlog via internationale juridische procedures tot stand kwam, ontvouwen de oorlogen van vandaag zich vaak zonder onderscheid tussen front en achterhoede, waarbij de grenzen tussen strijders en burgers, publieke en private sfeer vervagen, en zelfs het begin en einde van de oorlog vaak onduidelijk zijn. Bovendien leveren particuliere militaire bedrijven, die in de moderne samenleving de rol van huurling vervullen, vrijwel alle militaire diensten, van training tot naoorlogse operaties.
Bovendien breken oorlogen nu uit om uiteenlopende redenen die verder gaan dan politieke of ideologische conflicten. In Oost-Europa zijn na de ineenstorting van het socialistische systeem kwesties rond religie, taal, schrift en etniciteit weer opgedoken. In het Midden-Oosten veroorzaken religieuze conflicten complexe problemen. In Afrika verweven factoren zoals stammenconflicten, grensafbakeningen uit het koloniale tijdperk, de fragiele staatssystemen van recent onafhankelijk geworden landen en grondstoffenproblemen zich tot complexe aanleidingen voor oorlog.
Bovendien ontstaan er diverse vormen van oorlogsvoering, waaronder netwerkoorlogvoering, asymmetrische oorlogvoering, guerrillaoorlogvoering en terrorisme. Netwerkoorlogvoering is sterk afhankelijk van horizontale coördinatiemechanismen die worden aangestuurd door gedeelde waarden of doelen in plaats van bureaucratische commandostructuren, terwijl guerrillaoorlogvoering zich ontvouwt op basis van een geavanceerde organisatie ondanks onduidelijke frontlinies. Een goed voorbeeld is de situatie tijdens de eerste Golfoorlog begin jaren negentig: ondanks het feit dat de Amerikaanse aanval het commando- en controlesysteem van de Iraakse regering binnen enkele uren lamlegde, was het Iraakse leger zelf niet in staat de locatie van de coalitietroepen te bepalen. Dit illustreert op treffende wijze één aspect van de nieuwe oorlogsvoering.
De oorlogseconomie vertoont ook nieuwe kenmerken. Bij nieuwe oorlogsvoering wordt de financiering niet alleen veiliggesteld via de officiële economie die onder staatscontrole staat en via staatsinkomsten via belastingen, maar ook door het gebruik van de informele economie. Wanneer de productiebasis instort en belastinginning praktisch onmogelijk wordt, verkrijgen gevechtsgroepen oorlogsfondsen door middel van plundering en ontvoering, illegale handel in wapens, drugs en grondstoffen, geldovermakingen van emigranten, een vorm van 'belastingheffing' op humanitaire hulp en sponsoring door buitenlandse overheden.
Ondertussen is er ook kritiek dat veel fenomenen die in deze nieuwe oorlogen als 'nieuw' worden gepresenteerd, in werkelijkheid al bestonden in eerdere oorlogen, maar simpelweg niet voldoende aandacht kregen. Critici wijzen erop dat de nieuwe oorlogstheorie bepaalde fenomenen te veel benadrukt en dat de toegenomen zichtbaarheid van verschillende aspecten van oorlog slechts een gevolg is van de ontwikkeling van de media. Ze bekritiseren verder studies die pleiten voor nieuwe oorlogsvoering, omdat ze selectief gunstige gevallen selecteren te midden van onduidelijke empirische gegevens en onvoldoende materiaal. Ze stellen dat burgeroorlogen sinds 1992 over het algemeen zijn afgenomen en dat de omvang van 'nieuwe' fenomenen statistisch gezien onbeduidend is in vergelijking met de Tweede Wereldoorlog.
Niettemin biedt het concept 'nieuwe oorlogsvoering' belangrijke inzichten voor het begrijpen van nieuwe dreigingen en recente veranderingen in de internationale politiek. Dit komt doordat nieuwe oorlogsvoering de neiging heeft staten te desintegreren in plaats van te vormen. Neem Somalië, vaak aangehaald als een schoolvoorbeeld van een 'mislukte staat' door oorlog. In tegenstelling tot wat gevreesd werd, leidde de ineenstorting van de staat niet tot wijdverbreide chaos; in plaats daarvan waren er tekenen van verbetering in bepaalde aspecten van het leven van de mensen. Dit komt doordat internationale samenwerking en traditionele economieën, en niet de staat, verantwoordelijk zijn voor het leveren van publieke goederen, terwijl gewoonterecht en tribale netwerken bijdragen aan het handhaven van de sociale orde. Bovendien duiken in het Midden-Oosten elementen zoals religie of stam op als nieuwe vormen van nationalisme, wat suggereert dat nationalisme niet per se een staat nodig heeft om te functioneren.
Vanuit dit perspectief is de natiestaat slechts een eurocentrisch model, gevormd tijdens een specifieke historische periode. Historische ervaring leert dat diverse politieke entiteiten naast elkaar kunnen bestaan. De frequente nieuwe oorlogen in Afrika en het Midden-Oosten lijken de wereld terug te brengen naar een staat die lijkt op het premoderne Europa, waar chaotische coëxistentie van verschillende politieke gemeenschappen zoals stadstaten, naties en rijken heerste.
Deze trend biedt echter tegelijkertijd een kans om diverse mogelijkheden voor nieuwe gemeenschappen te verwezenlijken. Democratie moet zich niet ontwikkelen door de natiestaat te versterken, zoals extreemrechts nationalisme doet, maar door de beperkingen en kaders van de natiestaat te overstijgen en te overstijgen. De gelaagde ruimte die wordt gevormd door wereldsteden en hun netwerken, waar wereldburgers met meerdere identiteiten samenleven op basis van gelijkwaardig burgerschap, en door supranationale gemeenschappen zoals de EU, kan een andere arena voor democratie worden. De democratie die in het tijdperk van de natiestaten is bereikt, moet nu binnen nieuwe gemeenschappen worden behouden terwijl ze transformeert, en moet zich verder uitbreiden binnen deze nieuwe burgers en de gemeenschappen die zij creëren.