Deze blogpost onderzoekt waarom Zhu Xi de geest zag als de bron die zowel karakter als emoties omvat. We onderzoeken samen de betekenis van zijn stapsgewijze analyse van de functies van de geest voor morele ontwikkeling en de vervolmaking van karakter.
Voor confucianistische geleerden uit de Song-dynastie, die waarde hechtten aan de perfectie van karakter en morele praktijk, was de geest (心) het meest fundamentele filosofische probleem. Zhu Xi van de Zuidelijke Song-dynastie concentreerde zich op de functies van de geest en stelde de zogenaamde 'Theorie van de Geest die Natuur en Emotie Beïnvloedt' voor, gebaseerd op de logica van het ongemanifesteerde en het gemanifesteerde (未發·已發) en de essentie en functie (體用). De concepten 'ongemanifesteerd' en 'gemanifesteerd' beschrijven het proces waarbij emoties zoals vreugde, woede, verdriet en plezier uit de geest voortkomen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen vóór en ná hun manifestatie. 'Substantie en functie' verwijst naar de onafscheidelijke maar toch onderscheiden relatie tussen de essentie en de activiteit binnen dezelfde entiteit.
Zhu Xi stelde dat er binnen de geest, de heerser van het lichaam, twee stadia bestaan op basis van het cognitieproces: het ongemanifesteerde en het gemanifesteerde. Hij oversteeg op kritische wijze het bestaande perspectief dat de geest uitsluitend als het gemanifesteerde begreep, door de toestand vóór het begin van de waarnemingsactiviteit te definiëren als het ongemanifesteerde en de toestand daarna als het gemanifesteerde. Om de kwestie van emoties aan te pakken, definieerde hij bovendien de essentie en functie van de geest als respectievelijk natuur (性) en emotie (情), waarbij hij emotie beschouwde als de manifestatie van de natuur en natuur als de basis van emotie. Gebaseerd op deze logica ontwikkelde Zhu Xi systematisch de theorie van de geest die zowel natuur als emotie omvat (心通性情論).
Het toezicht van de geest op zowel de natuur als de emotie heeft twee betekenislagen: dat de geest zowel de natuur als de emotie bezit, en dat de geest beide afzonderlijk bestuurt. Voordat emoties zich manifesteren, bestuurt de geest om de integriteit van de natuur te behouden; wanneer emoties zich manifesteren, bestuurt hij om ervoor te zorgen dat emoties op de juiste manier worden uitgedrukt, waardoor moreel handelen mogelijk wordt. Zhu Xi beschouwde mensen als wezens die door de hemel niet alleen begiftigd waren met de zuivere en goede aard van het Hemelse mandaat (天命之性), wat overeenkomt met het Hemelse principe (天理), maar ook met de aard van temperament (氣質之性), dat voortkomt uit de factor qi (氣) die belichaamd is in het fysieke lichaam. De aard van het Hemelse mandaat is de basis van moraliteit, maar de aard van levenskracht, vanwege de inherente variaties in zuiverheid en troebelheid, dikte en dunheid, wordt de wortel van kwade emoties die eigenbelang nastreven of bezwijken aan zintuiglijke verlangens. Hoewel de aard van de levenskracht het karakter van principe (理) bezit op het niveau van de natuur (性), bezit ze ook het karakter van levenskracht (氣) op het niveau van de levenskracht zelf. Dit betekent echter niet dat de vitaal-constitutionele intelligentie een aparte entiteit is, los van de aangeboren morele intelligentie. Zhu Xi benadrukte dit argument juist om duidelijk aan te tonen dat de menselijke natuur onvermijdelijk beïnvloed kan worden door de constitutie. Dat wil zeggen, om moreel handelen mogelijk te maken, moet de vitaal-constitutionele intelligentie worden getransformeerd, terwijl de aangeboren morele intelligentie behouden blijft.
De theorie van geest-natuur-emotie-karakter was Zhu Xi's oplossing voor hoe mensen, die vitaal-morele intelligentie bezitten, hun oorspronkelijke natuur konden realiseren en morele emoties konden bereiken. Hoe bestuurt de geest dan zijn eigen inherente aard voordat emoties zich manifesteren? Om dit dilemma op te lossen, stelde Zhu Xi voor om karakter te cultiveren door middel van eerbied (敬). Eerbied betekent het stevig verankeren van de gemakkelijk af te leiden geest op één plek door methoden zoals constante alertheid (常惺惺) en het handhaven van een plechtige en ordelijke houding (整齊嚴肅). Praktijken zoals het naleven van rituele gepastheid en het handhaven van een nette verschijning worden ook erkend als belangrijke middelen om eerbied te bereiken, omdat ze de geest en zijn gemoedsgesteldheid direct beïnvloeden. Deze fase van karakterontwikkeling wordt beoefend wanneer de geest nog ongevormd is. Wanneer de geest zich begint te vormen, wordt begonnen met het bestuderen van dingen om kennis te vergaren (格物致知). Dingen onderzoeken houdt in dat je specifieke objecten of situaties benadert om hun principes één voor één te verkennen. Kennis verwerven is het proces van geleidelijke realisatie, door middel van dergelijk onderzoek, dat de geleerde principes overeenkomen met universele principes. Op een gegeven moment breidt de opgebouwde kennis zich exponentieel uit en verenigt zich met het Hemelse Principe dat ten grondslag ligt aan de principes van alle dingen. Deze vereniging van de inherente aard van de geest (性) met het Hemelse Principe was de filosofie van "De natuur is Principe" (性卽理) voorgesteld door Zhu Xi. Gebaseerd op deze logica presenteerde Zhu Xi uitgebreid een theorie van zelfcultivatie die de cultivatie van de ongevormde geest combineerde met het onderzoek van dingen in de gevormde geest, waarbij hij benadrukte dat sociale praktijk een dergelijke cultivatie veronderstelt.
De reikwijdte die Zhu Xi aanwees als onderzoeksobject was extreem breed en omvatte alles, van natuurlijke objecten zoals vogels, dieren, gras en bomen tot ethische normen. Zijn methode richtte zich echter op leren gebaseerd op de klassieken, waar de wijzen de principes al hadden vastgelegd. Omdat zijn theorie van het onderzoeken van dingen een intellectueel proces was dat morele principes onderzocht, met als uiteindelijk doel de vervolmaking van karakter, breidde hij de cultivatiestudie die zich afspeelde in de fase van 'nog niet ontluikend' uit naar de fase van 'ontluikend', waarmee hij zijn theorie van zelfcultivatie completeerde. Zhu Xi's filosofie streefde ernaar het menselijke pad, in lijn met het Hemelse Principe, te verlichten door middel van nauwgezette analyse van de geest en de menselijke natuur, wat duidelijk zijn streven onthulde om een wereld die verzadigd was met de seculiere trend van het najagen van roem en winst, te transformeren tot een morele samenleving.