In deze blogpost wordt op een rustige manier onderzocht welke inzichten Otto Hösle's driedeling van objectiviteit, subjectiviteit en intersubjectiviteit biedt in de structuur en argumentatiemethoden van filosofisch schrijven.
De definitie van filosofische schrijfmethoden is direct gekoppeld aan hoe we het academische karakter van filosofie definiëren. In tegenstelling tot empirische wetenschappen, waar de geldigheid wordt bepaald door empirische gegevens over verschijnselen, streeft filosofie ernaar metaprincipes te verkennen die verder gaan dan verschijnselen. Tegelijkertijd kan filosofie als academische discipline nooit ontsnappen aan de plicht tot rechtvaardiging en moet ze niet bestaan als louter bewering, maar als rigoureuze argumentatie. Of een tekst als 'filosofisch' kan worden omschreven, hangt daarom af van de vraag of de presentatiewijze aan deze voorwaarden voldoet. Uiteindelijk is de structuur van filosofische teksten niet louter een kwestie van persoonlijke smaak, maar een complexe kwestie die direct verband houdt met de mate waarin die vorm de academische gezondheid van de filosofie kan verbeteren.
In dit opzicht trekt Otto Hösles theorie van filosofische genres bijzondere aandacht. Zijn theorie ontvouwt zich rond de categorieën 'objectiviteit', 'subjectiviteit' en 'intersubjectiviteit', een driedeling met een eigen logica. Deze drie categorieën omvatten in de eerste plaats respectievelijk de domeinen van bestaan, cognitie en communicatie, die samen het geheel van filosofische onderwerpen vormen. Met andere woorden, ongeacht welk standpunt een auteur inneemt of welk onderwerp hij of zij zich ook richt, filosofische uitspraken vallen uiteindelijk in ten minste één van de drie categorieën: uitspraken over een objectief object, uitspraken over het subject dat met dat object wordt geconfronteerd, of uitspraken over de relatie tussen subjecten. Bovendien zijn deze categorieën ook nuttig voor de typologische classificatie van de vormen van filosofisch schrijven. Dat wil zeggen, filosofische uitspraken kunnen zich ontvouwen door direct het onderwerp van het probleem aan te pakken, door de interne gedachtestroom van de auteur over het onderwerp te beschrijven, of door direct verschillende beweringen rond het probleem te confronteren. Otto Hösle noemt deze drie vormen respectievelijk het 'genre van objectiviteit', het 'genre van subjectiviteit' en het 'genre van intersubjectiviteit'. Uiteraard komen de drie categorieën en drie vormen niet één op één overeen; een subject dat tot de ene categorie behoort, kan worden beschreven met behulp van de schrijfstijl van een andere categorie.
Ten eerste verschijnt in het genre van de objectiviteit het subject primair als het onderwerp van de zin. Zelfs als de persoonlijkheid van de auteur stilistisch wordt onthuld, verschijnt de auteur als individu niet direct in de tekst. Hegel spreekt bijvoorbeeld nooit over zichzelf in zijn 'Logica'; dit werk bestaat uitsluitend uit beschrijvingen van de logische definities van concepten en de overgangsrelaties daartussen. Dit is een manier om ervoor te zorgen dat de voortgang van uitspraken niet wordt bepaald door de willekeurige constructie van de auteur, maar door de logica van het subject zelf. Omgekeerd wordt in het genre van de subjectiviteit het persoonlijke denkproces van de auteur of dat met betrekking tot het subject direct onthuld. Een goed voorbeeld is Descartes' 'Meditaties', waarin de meeste zinnen zijn opgebouwd met behulp van werkwoorden of voornaamwoorden in de eerste persoon enkelvoud. Deze aanpak helpt lezers om het denkproces van de auteur levendig te volgen en te verifiëren. Ten slotte zijn dialogen zoals Plato's Republiek paradigmatisch voor het intersubjectieve genre. Hier verschijnen niet alleen de auteur, maar ook anderen expliciet als sprekers, en soms verschijnt de auteur zelf in de gedaante van een andere persoon. Dit brengt niet alleen argumenten levendiger naar voren, maar onthult ook op natuurlijke wijze de antagonistische en sympathieke relaties tussen hen.
Otto Hösles bijzondere aandacht voor het dialogische genre komt voort uit de uitzonderlijke status die hij toekent aan de categorie intersubjectiviteit. Filosofische thema's openbaren zich niet onafhankelijk; ze komen pas als subjecten naar de oppervlakte door de handeling van het spreken van de auteur. Bovendien veronderstelt de handeling van het spreken van de auteur het bestaan van een lezer die de tekst al heeft gelezen en begrepen, die vragen stelt of tegenargumenten aanvoert. Met andere woorden, objectiviteit vereist subjectiviteit, en subjectiviteit krijgt alleen betekenis door haar relatie met een andere subjectiviteit; zo convergeren de twee categorieën uiteindelijk tot intersubjectiviteit. Los van dit fundamentele aspect hebben dialogen ook het voordeel dat ze gedeeltelijk het structurele probleem oplossen dat de oorspronkelijke raadsels van de filosofie – problemen op metaniveau – moeilijk te construeren zijn als gerechtvaardigde argumenten. Dit komt doordat het argument van de auteur, om overtuigend te zijn, bestand moet zijn tegen verwachte tegenargumenten. In dialogen lijken deelnemers die uiteenlopende standpunten vertegenwoordigen – niet alleen degenen die het standpunt van de auteur verdedigen, maar ook degenen die tegenargumenten aanvoeren – gelijkwaardige debaters. Door deze tegenargumenten voortdurend te weerleggen met zijn eigen weerleggingen, kan de auteur zijn beweringen beter onderbouwen.
Tegenwoordig worden dialogen in de filosofie zelden geschreven. Otto Hösle, die de waarde van intersubjectiviteit verdedigt, moet deze situatie betreurenswaardig vinden. Dit komt voort uit de algemene overtuiging onder veel filosofen dat de strengheid van argumentatie – de levensader van filosofische teksten – beter tot zijn recht komt binnen het genre van de objectiviteit, dat zich richt op 'het subject zelf'. Echter, aangezien dialogen soms voordeliger kunnen zijn in termen van de breedte van de argumentatie en de immuniteit tegen mogelijke tegenargumenten, is Otto Hösle's spijt over de huidige bijna-verdwijning van dit genre volkomen begrijpelijk.